Ineens zag ik iets in een flits voorbij komen. Ik bracht mijn lichtstraal terug in de richting waar ik iets gezien meende te hebben. Bewegingsloos hangend in een kleine inham, verstopt tussen de waterplanten, keek een grote kop in onze richting. Ik stootte mijn cursist aan en wees in de richting van het beest. Ze plaatste haar lichtbundel naast die van mij, maar het lichaam van de vis bleef verstopt achter zijn grote kop. Na kortstondig in het spotlicht te hebben gestaan, kwam het dier in beweging. Eerst draaide hij, waardoor zijn lange lichaam nu wel te zien was, daarna begon hij te zwemmen. Het leek er op dat de grote roofvis ons pad wilde doorkruisen, maar al snel begon hij een steeds scherpere bocht te beschrijven en zwom in onze richting . Vlak voor ons boog hij iets af en passeerde rakelings langs mijn linkerzij, waarna het beest in het donker verdween.
Het lichte oncomfortabele gevoel begon weer op te spelen; nu wist ik zeker dat er iets verstopt zat in de duisternis. We keken beiden in de richting waar de jager heen gezwommen was en gebaarden naar elkaar dat we geen benul hadden waar hij was gebleven. Met onze ogen op het duister gericht zwommen we verder.
Opeens voelde ik iets tussen mijn benen doorglijden. Ik keek onder me en stootte tegen iets aan dat snel vooruit schoot. De meter van mijn manometer begon zichtbaar terug te lopen, toen ik mij realiseerde dat er zojuist een grote roofvis tussen mijn benen door was gezwommen.
Het prachtige en indrukwekkende beest zou die nachtduik nog zo’n twintig minuten bij ons blijven, steeds maar weer zwemmend in het licht van onze lampen, totdat hij een snoekduik nam, iets van de bodem greep en definitief verdween in de nacht.